Category Archives: Interviews

Eric Tabuchi

Beter goed gejat dan slecht bedacht, klinkt het welbekende spreekwoord. Dat gaat zeker op voor de ’26 abandoned gasoline station’-serie van Eric Tabuchi. Rechtstreeks afgekeken van Ed Ruscha, maar met een eigen stempel. En tekenend voor zijn overige werk.

Onderweg, dat is Eric Tabuchi veel. De Fransman kent niet alleen de Europese wegen goed, ook de Amerikaanse highway’s hebben geen geheimen voor hem. Hij put veel inspiratie uit het land, waar eigenlijk iedereen migrant is. Het gevoel niet op één plaats thuis te horen, speelt overduidelijk mee in zijn werk. ‘Ik heb een Japanse vader en een Deense moeder, daardoor ken ik het constante gevoel nergens bij te horen. Die eenzaamheid – ondanks dat ik mezelf wel als een Franse fotograaf beschouw – komt terug in mijn foto’s.’

Ondanks zijn hang naar de Verenigde Staten, schiet hij al zijn foto’s binnen een 250 kilometer radius rond Parijs. Voor Eric een gebied waar hij zo bekend mee is, dat hij de Franse route nationale op zijn foto’s kan doen voorkomen als een verlaten interstate. Zoals bijvoorbeeld voor zijn series ’26 abandoned gasstation’ en ‘Alphabet truck’. Beide gebaseerd op door anderen geproduceerde series.

26 abandoned gasstations

‘Tijdens mijn vele reizen door Frankrijk heb ik een toenemend aantal verlaten tankstation langs de nationale wegen gezien’, legt Eric zijn reden voor het maken van ’26 abandoned gasstations’ uit. ‘Dit thema interesseert me omdat het gaat om een verandering: die van het einde van een zekere gouden tijd van de auto als symbool van de vooruitgang. Maar ik heb de neiging te zeggen dat het niet alleen een documentaireproject is, maar ook een vormproject over het vluchtige moment waarin dingen verdwijnen.’

Met een compleet andere insteek en afwijkende achterliggende gedachte, stortte Eric zich van 2002 tot 2008 op een project vrijwel identiteit aan dat van Ed Ruscha. Begin jaren zestig fotografeerde hij namelijk 26 benzinestations, om in april 1963 zijn eerste fotoboek ‘Twentysix Gasoline Stations’ in eigen beheer uit te geven. Dit boek biedt precies wat de titel suggereert, net zo goed als dat bij het werk van Eric het geval is. Ruscha reisde door de VS, Eric deed hetzelfde in Frankrijk. Saillant detail: beide boeken werden in een gelimiteerde oplage gepubliceerd en zijn nu gewilde verzamelobjecten.

Jatwerk

Terwijl Ruscha in bedrijf zijnde benzinestations vastlegde, deed Eric dat met verlaten exemplaren. Klein verschil, grote gevolgen. Toch komt het overeen met zijn voorgangers werkwijze: serieel en systematisch. ‘Op die manier stelde ik mezelf in staat om het onderwerp op afstand te houden. Ik hou vast aan het idee dat mijn werk als object een formalistische en leesbare dimensie behoudt. Refereren aan het werk van Ed Ruscha was voor deze serie een logisch gevolg; de foto’s zijn eigenlijk reproducties.’

Toch kwam Eric niet pas op het idee na het zien van de foto’s van Ruscha. Hij fotografeerde immers al vele jaren verlaten benzinestations. ‘Vele zijn zowaar omgetoverd, soms tot bakkerij, kruidenierswinkel, restaurant en zelfs tot begrafenisonderneming. Deze ondernemingen, in tegenstellingen tot de grote oliemaatschappijen, onthullen een knutselwerk; een individueel initiatief. Ze illustreren perfect de zegswijze dat de natuur geen leegte verdraagt.’ Geen regulier jatwerk dus, niet eens een aanleiding. Net als zijn eerdere serie ‘Alphabet truck’ vormt andermans werk slechts een aanknopingspunt.

Alphabet truck

Wie kent het alfabet-spel niet van lange autoritten? Het perfecte middel om totale verveling te voorkomen en voor een fotograaf als Eric een mooie aanleiding voor een serie: Alphabet truck. Net als ’26 abandoned gasstations’ speelt het zich af langs (of dit keer op) de Franse snelwegen en refereert het eveneens naar een eerdere publicatie van een kunstenaar. Nu zeggen de boeken The back of trucks passed while driving from Los Angeles to Santa Barbara van John Baldessari en Auchan, the letters of Claude Closky, ons wat minder dan een fotograaf als Ed Ruscha, maar de overeenkomsten zijn onmiskenbaar.

Iedere foto in de serie is identiek als het gaat om schaal, compositie en belichting. Alleen de vrachtwagen, de weg en de letter zijn anders; bijna onzichtbaar. Eric ziet het als een bijna filossofisch project: ‘Het is een typologie van vrachtwagen-typografie. Door middel van taal (het alfabet) en verplaatsing (vrachtwagens) stel ik eigenlijk – buiten de gebaande paden – vragen over lidmaatschap, identiteit en educatie.’ Diepe gedachten, die Eric wederom in een serie heeft duidelijk proberen te maken. ‘Beide series liggen daarnaast in een tijdelijke tussenvorm; tussen verschijning en verdwijning. Ik ben gefascineerd door dat wat onstabiel is.’

Boodschap

Naast een fascinatie voor onstabiliteit, blijkt Eric ook uitermate geboeid te zijn door verlaten plekken. Als het even kan, lijkt het ook nog op een maanlandschap. ‘Soms heb ik zin om dat wat er lelijk uit kan zien mooi te maken. Dat is mijn manier om de gelaatsuitdrukking die men overdraagt op onze leefomgeving te veranderen.’ Hij maakt, op bijna ‘ondergrondse’ manier, een portret van een breekbare en wankele identiteit, zoals zijn eigen driedubbele.

Een directe boodschap – ondanks de filosofische – heeft Eric niet met zijn series. ‘Ze laten gewoon dingen dien zonder een oordeel te vellen’, relativeert hij. Hij noemt zichzelf dan ook geen fotograaf, maar kunstenaar die met fotografie werkt. ‘Mijn werk hangt tussen nostalgie en nieuwsgierigheid, de foto’s laten een gebied zijn dat zich ontwikkelt, dat zich probeert aan te passen en dat nog niet is voltooid.’ En daarmee is het werk van Eric Tabuchi ook lang niet af.

Foto’s © Eric Tabuchi

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Mariken Wessels

Over het algemeen vul je een fotoboek met je eigen foto’s. Logisch, maar niet voor Mariken Wessels. Zij maakt fotoboeken van andermans plaatjes; bewerkt vertelt ze er haar eigen verhaal mee. En wint ze ook nog eens prijzen.

Voor Mariken Wessels zijn er geen grenzen wanneer ze aan een fotobewerking begint. Het origineel vormt voor haar slechts een uitgangspunt, als een titel zonder tekst. Wat voor invulling ze gaat geven aan de foto heeft ze slechts in grote lijnen uitgedacht; binnen een stramien werken houdt het enigszins overzichtelijk. Geen beperkingen: ‘Ik wil mijn eigen verhaal ermee vertellen, dus manipulatie is in iedere vorm toegestaan. Alles van de foto wat ik nodig heb om mijn verhaal kwijt te kunnen gebruik ik, al het andere mag weg. De oorsprong van het persoonlijke verhaal ligt in de foto, maar meer dan dat is het niet.’

Het moge duidelijk zijn, aan alleen Photoshop heeft de aan de Gerrit Rietveld Academie-afgestudeerde Mariken lang niet genoeg. Ouderwets knip-en-plakwerk komt eraan te pas, maar daarmee is de klus allesbehalve geklaard. Zo’n klus – met als eindresultaat een boek – begint met het op straat vinden van foto’s, of ze aangereikt krijgen van iemand. ‘Mensen gooien hun leven, in de vorm van foto’s, vaak gewoon op straat. Ik vraag me wel eens af wat ze daar nu eigenlijk mee willen bereiken. Het verleden achter zich laten? Een nieuwe start maken? Ik begrijp dat niet dat iemand z’n leven zo kan weg kan ‘vergooien’, maar doe er mijn voordeel mee.’

Mariken is daarom van mening dat ze zelf geen foto’s hoeft te maken om een verhaal te vertellen. Er zijn immers zoveel foto’s op de wereld die ze gewoon van de straat kan rapen, kan kopen op een rommelmarkt of haar cadeau worden gedaan. ‘Doe er maar wat mee’, zeggen ze als ze hun levensgeschiedenis achteloos aan mij geven. Dat grijpt mij wel aan en wil dan ook echt wat met dat materiaal doen. Er wat van maken. Op een Big Brother-achtige manier is dat heel intiem.’ Toch neemt Mariken altijd voldoende afstand en dienen de foto’s enkel als concept. Ze vertelt haar verhaal, niet dat van diegene op de foto. ‘Door dingen toe te voegen en weg te halen, verschuift het persoonlijke naar mijn kant’, legt Mariken uit.

Het eerste product dat Mariken op deze manier uitbracht was het fotoboek ‘Elisabeth – I want to eat’. De foto’s van deze onbekende jonge vrouw vond ze in een winkeltje in de Amsterdamse Hendrik Jacobzstraat, samen met een aantal kaarten en brieven. Twee jaar geleden bekroond met een Silver Medal Book Award op het Fotofestival di Roma en opgenomen in de collectie van het MoMa in New York publiceerde Mariken het boek oorspronkelijk zelf. ‘Maar na al die promotie was de kleine oplage van honderdvijftig stuks snel uitverkocht. Vorig jaar heeft Alauda Publications het boek daarom in grotere oplage laten herdrukken, voor mij de eerste keer dat een zelfgemaakt boek zo populair is.’

Niet verwonderlijk dat zij vorig jaar het daaropvolgende boek ‘Queen Ann. P.S. Belly cut off’ uitbracht en deze wederom in de prijzen viel. Zo staat deze bij onder andere LeMonde, Joerg Colberg, Photo-eye en Cadoc in de lijst van beste fotoboeken van afgelopen jaar. Waarom haar werkwijze zo goed ontvangen wordt, is Mariken onduidelijk. Haar kracht om foto’s zo te manipuleren dat deze een eigen verhaal vertellen, haalt ze naar eigen zeggen ‘wellicht’ uit haar ‘toneelachtergrond’. ‘Maar dat kan je beter door anderen laten beoordelen, ben ik van mening.’

Ondanks dat Mariken fotoboeken maakt waarin het merendeel bestaat uit andermans beelden, meent zij toch dat het haar eigen werk is. Zo fotografeert ze zelf ook, herfotografeert ze de oude foto’s en ligt ze eruit wat interessant is voor haar verhaal. ‘Ik bedenk een personage, een verhaal en de wereld waarin het speelt. De oorspronkelijke persoon op de foto wordt niet realistische weergegeven; ik kende deze immers niet eens.’ Overeenkomsten zijn volgens Mariken dan ook toevallig; ze maakt geen documentaire.

Het laten herleven van iemands herrinneringen tekent daarnaast de levensloop en zijn vergankelijkheid. Mariken heeft dan ook niet het gevoel dat ze hierin inbreekt. ‘Ik blijf objectief en gebruik het personage enkel als leidraad. Geen moment wil ik me op het terrein van research bevinden, want dat doe ik juist niet. Ik koppel er geen individu aan en verzin juist al het ontbrekende.’ Dat hier soms ook zelfgemaakte foto’s tussen zitten, heeft ze nog nooit eerder vertelt, maar het valt dan ook niet op in haar fotoboeken. ‘De beelden vormen een stroom, in zijn geheel.’

Zo zijn de foto’s in ‘Queen Ann. P.S. Belly cut off’ – van een bestaande vrouw van middelbare leeftijd – door de kunstenares zo gemanipuleerd dat het een waar curiosakabinet wordt. Het authentieke materiaal vormt een rare mix met nieuw geschoten foto’s. De collage werkt misleidend, want wat is er nu ‘echt’? ‘Het boek heeft in ieder geval niets te maken met de persoon van wie de foto’s oorspronkelijk zijn. Het is een verhaal dat had kunnen zijn. Mijn specialiteit is het bedenken en uitdiepen van de personages.’

Ondanks dat Mariken bij de bewerkingen zichzelf geen beperkingen oplegt, werkt zij wel vanuit een duidelijk kader. ‘Ik maak geen uitstapjes’, benadrukt ze. ‘Het onderwerp moet goed afgebakend worden, anders ga je al snel veel te breed. Een bepaald tijdsbestek of stramien is nodig; binnen deze afbakeningen verwerk ik dan diverse lagen.’ Vervolgens arrangeert ze het materiaal met grote precisie. Constant overwegend wat ze nu eigenlijk wil vertellen. Iedere foto krijgt zo een eigen verhaal. ‘Ik kan geen percentage geven over hoeveel daadwerkelijk van mezelf is en wat origineel is gebleven, maar op iedere pagina is er in ieder geval door mij ingegrepen. Dat is zeker.’

Mariken Wessels noemt zichzelf geen fotografe; daarvoor fotografeert ze te weinig. ‘Een kunstenares, in de breedste zin van het woord’, zo beschrijft ze zichzelf het liefst. ‘Fotoboeken worden namelijk op deze manier ook kunstobjecten. Hoewel fotografie een duidelijk aanwezige factor is, wil ik geen stempel drukken op mijn werk.’ Het succes heeft er in ieder geval voor gezorgd dat er alweer een nieuw boek op komst is. Mariken kan en wil nog geen tipje van de sluier oplichten, maar belooft eenzelfde werkwijze. ‘Het kan echter nog altijd een heel ander boek worden’, besluit ze grinnikend.

 

 

Foto’s © Mariken Wessels

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Martijn Oorthuis

Dankzij Martijn Oorthuis doet Nederland ook mee in de gigapixelpanorama-wedloop. Niet echt, want Rio de Janeiro en Sevilla zijn al met veel meer pixels vastgelegd, maar de 6,2-gigapixel tellende panorama van Rotterdam is wel de grootste van Nederland.

Het is alweer een jaar geleden dat de 26-gigapixelpanorama van Parijs online kwam. In de tussentijd is deze ruimschoots overschaduwd door een 111-gigapixel versie van Sevilla en zelfs een 150-gigapixelpanorama van Rio de Janeiro. Toch was het de panorama van Parijs die de Rotterdam Martijn Oorthuis motiveerde om er een van zijn woonplaats te maken. ‘Ik raakte gefascineerd door gigapixelfotografie’, geeft Martijn toe. ‘Destijds liet mijn apparatuur het echter niet toe om de foto te maken, laat staan aan elkaar te plakken.’ Begin dit jaar was hij er wel klaar voor en koos voor een stad die hij zelf prachtig vind en die beschikt over een mooie skyline: Rotterdam.

Er gingen nogal wat voorbereidingen aan vooraf, voordat hij echt aan de slag kon. Naast een camera met veel megapixels – Martijn koos voor de Nikon D7000 – is het ook belangrijk op de cropfactor te letten. ‘Daarom koos ik de D7000 boven mijn professionele D700. Zo kun je met zo min mogelijk foto’s een zo groot mogelijk panorama maken.’ Uiteraard gebruikte Martijn daarbij een telelens (300mm), onmisbaar, een stevig statief en een speciale panoramakop. ‘Hiermee kon ik precies om de 2,5-graden een foto maken. De vraag is dan natuurlijk alleen nog: waar ga ik staan voor het beste panorama?

In Rotterdam is er natuurlijk maar een locatie van waar je een goede panorama kan maken: de Euromast. Laat Martijn daar nu net een abonnement voor hebben en iedere dag vrij naar boven kunnen. ‘Ik moest alleen rekening houden met het weer’, vertelt de fotograaf. ‘De dag dat ik de foto maakte was het bijzonder helder; als je goed inzoomt zie je zelfs Utrecht liggen. Verder zijn er nergens mensen herkenbaar in beeld en zijn kentekens niet leesbaar, dus daar hoefde ik geen nabewerking op los te laten.’ Het maken van de panorama heeft Martijn maar anderhalf uur op de Euromast gekost. Het produceren van de daadwerkelijke foto zo’n vijftig uur; de rest van de tijd ging zitten in het aan elkaar plakken (22 uur), bewerken en toegankelijk maken voor internet.

Uiteindelijk heeft Martijn een veertig gigabyte grote gigapixelpanorama van ‘slechts’ 6,2-gigapixel geproduceerd; een schril contrast met zijn 111 of zelfs 150-gigapixel tellende tegenhangers. Toch ziet de fotograaf ze niet als concurrentie, maar meer als motivering om zelf ook grotere panorama’s te maken. ‘De 111-gigapixelpanorama van Sevilla is – net als die van Parijs – erg mooi qua kleur en helderheid. De 150-gigapixel variant van Rio de Janeiro daarentegen vind ik wat minder vanwege het tegenlicht en de hoeveelheid luchtvervuiling.’ Natuurlijk hoopt Martijn op een dag een concurrerende panorama te schieten, maar dat vergt veel planning en tijd om te verwezenlijken. ‘Maar ik wil de lat natuurlijk steeds hoger leggen.’

Martijn heeft echter niet direct een volgende stap in zijn hoofd. Er zijn nog diverse andere dingen die hij wil uitproberen, zoals een 360-graden panorama vanaf de Euromast die de plaat van Parijs evenaart of zelfs overschrijdt. ‘Maar ook diverse andere steden in Nederland en het buitenland zijn mogelijk. Wellicht kruist er wel iets anders leuks mijn pad. Voorlopig maar eerst eens genieten van deze gigapixelpanorama van Rotterdam.’

Denk je nou ‘dat klinkt makkelijk’, dan heb je het mis. Volgens Martijn kon niet iedereen zomaar een gigapixelfoto maken, laat staan een panorama. Zo moet je wel wat iets weten van panoramafotografie en wat voor apparatuur je daarvoor nodig heb. ‘Wat doet een panoramakop bijvoorbeeld precies? Wat voegt deze toe aan een normale statiefkop? Veel mensen denken dat als ik de foto’s eenmaal gemaakt heb, de pc verder al het werk doet. Dat is maar half waar.’ Zo heeft Martijn gebruik gemaakt van het programma PTGUI, maar gaf deze ook een aantal foutmeldingen. ´Vanwege te weinig controlepunten kan het programma zo´n vijftien foto´s niet goed aan elkaar naaien en dan moet je dat dus handmatig corrigeren.´

Vervolgens heeft hij vier testversies uit laten voeren, waarna hij een ruwe versie had. ´Deze heb ik vervolgens weer in Photoshop bewerkt; het openen van de foto alleen duurde al een uur en om het contrast te verhogen had de pc vervolgens nog een uur nodig.’ Een tergend langzame en tijdrovende klus dus en dan hebben we het nog niet eens over de extensie gehad. ‘JPG kan alleen maar voor een bestand van maximaal 30.000 pixels breed, TIF kan maar bestanden tot 4GB aan en daarmee bleef alleen PSB over. Opzich geen probleem, maar er is geen enkel programma dat een leesbaar bestand hiervan kan maken voor het internet.’ Met behulp van een aantal mede-forumleden op DutchPhotoZone kwam hij uiteindelijk bij hdview uit, waarmee hij als plugin voor Photoshop toch een webpagina van de panorama kon maken. ‘Het vergt dus wel degelijk iets meer werk dan alleen maar het inladen van de foto’s in je pc en wachten tot deze klaar is’, besluit Martijn.

 

Foto’s © Martijn Oorthuis

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Rick Floot

Toen Marc van Hal, de PR-man van stichting FSHD, fotograaf Rick Floot benaderde met een project over de spierziekte, wist hij meteen dat hij het visuele gedeelte wel voor zijn rekening wilde nemen. Hij heeft de ziekte daadwerkelijk een gezicht gegeven.

Een van de eerste symptomen van FSHD – een zeldzame, erfelijke vorm van spierdystrofie die veroorzaakt wordt door een genetische afwijking – is een ‘asymetrische spierzwakte’ in het gezicht, oftewel slappe gelaatsspieren aan een kant van het gezicht. Hoewel Rick Floot nooit eerder studioportretten had geschoten, wilde hij naast film ook de fotografie graag op zich nemen.

 

‘Ik had een duidelijk beeld voor ogen: de aandacht moet echt op het gelaat liggen. De belichting en achtergrond mochten niet afleiden en ik wilde graag een ‘liggende’ verhouding fotograferen, zodat ik de foto’s ook makkelijk in mijn video-item kon verwerken bij wijze van ‘leader’.’

De stichting FSHD had een bijeenkomst-middag georganiseerd en patiënten uitgenodigd om op de foto te gaan. ‘De reacties waren overweldigend’, vertelt Rick. ‘Alle aanwezigen wilden graag meewerken aan het project. Het gaf ze het gevoel eindelijk zelf iets te kunnen doen om de ziekte onder de aandacht te brengen. In een paar uur tijd heb ik 42 lotgenoten geportretteerd. De ziekte is progressief en neemt over het algemeen ergere vormen aan. Veel mensen zijn in hun eigen rolstoel gefotografeerd.’

Rick vond het heel bijzonder om aan het project mee te werken. ‘De mensen geven zich namelijk echt ‘bloot’ met hun ziekte’, vervolgt hij. ‘Ook duurt zo’n sessie maar een paar minuten per persoon, je voelt de verschillen in persoonlijkheden en de manier waarop ze met de spierziekte (en gevolgen voor hun uiterlijk) omgaan. De een vol van trots en eigenwaarde, een ander heel ‘gelaten’ en relaxed. Een vrouw was enorm gespannen en onzeker. Pogingen om haar op d’r gemak te stellen mochten niet baten. In zo’n geval probeer ik nog sneller te werken; het moet wel leuk blijven.’

 

Afgelopen zomer is er een belangrijke doorbraak geweest in het onderzoek naar de spierziekte FSHD, waardoor ontwikkeling van een medicijn een stap dichterbij is. ‘Maar zonder geld voor meer onderzoek kan dit nog lang duren’, geeft Rick toe. ‘De foto’s zullen in ieder geval gebruikt worden in een campagne om meer bekendheid aan de ziekte te geven. Daarnaast worden ze verwerkt in video’s over dit onderwerp, te zien op de website van de stichting FSHD.’

Foto’s © Rick Floot

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Hans Kemp

Met foto’s uit zijn serie ‘Bikes of Burden’ veroverde Hans Kemp eerder deze maand de tweede plaats in de ‘Portfolio – World In Motion’-categorie van de Travel Photographer of the Year-competitie. De beelden zijn zeven jaar oud, maar nog lang niet verouderd.

“De serie past prima in het thema van de competitie, dus daarom heb ik deze maar opgestuurd”, legt Hans Kemp droogjes uit als we met hem bellen in Bangkok, Thailand. “Er zit geen houdbaarheidsdatum aan de inzendingen, maar als het tafereel niet meer zou bestaan zou het wel vragen opleveren. Het onderwerp is echter gewoon nog actueel, dus geen probleem.” Hans’ Bikes of Burden-serie gaat over de volgestouwde brommers die de wegen van Vietnam beheersen. Ingenieuze stapel- en pakmethodes worden op de arme tweewielers botgevierd, want zoveel mogelijk spullen – dood of levend – meenemen is het streven.

Voor Hans is het uitzonderlijk dat hij aan een competitie deelneemt – “pas de tweede keer” – en hij heeft dan ook geen series liggen die hij vaker instuurt. Bikes of Burden vormt een uitzondering: “Met een enkele foto uit die serie heb ik op de Photography Masters Cup een ‘honorable mention’ ontvangen, maar dat was het.” De magie van de serie komt volgens Hans voort uit het feit dat hij het land, Vietnam, goed kent. Volgens hem vallen de immer aanwezige brommers iedere toerist het eerst op; waar je ook kijkt, ze rijden er. “Niemand neemt eigenlijk echt de tijd om goede foto’s van het fenomeen te maken, maar toeristen hebben dan ook niet echt de mogelijkheid. Het verkeer in Vietnam is levensgevaarlijk en de foto’s geschoten terwijl ik achter op zo’n zelfde brommer zat.” Op de hoek van de straat blijven staan had geen zin en Hans stortte zich dan ook vol overtuiging op het hectische avontuur. “Zodra ik op het idee kwam er een serie en een boek van te maken wist ik al dat het mensen aan zou spreken, maar een groot succes als dit had ik niet verwacht.”

Verrassend genoeg was Bikes of Burden niet alleen een succes onder niet-Vietnamezen en de jury van de TPOTY, maar ook in het land zelf. Het is zeker niet hetzelfde als een Nederlandse die fietsende landgenoten fotografeert. “Natuurlijk waren de serie en het boek het populairst onder Vietnam-liefhebbers, maar voor de Vietnamezen was het een mooie bevestiging. Ze zien het fenomeen natuurlijk iedere dag, maar vastgelegd beseffen ze dat het eigenlijk iets unieks is.” Hoewel Hans zelf ook al langere tijd in Vietnam woonde en het land goed kende, was het toch een deel verbazing wat hem aanzette de Bikes of Burden-serie te maken. Deels van de kracht van de serie komt namelijk voort uit de combinatie tussen verbazing en herkenning. “Als je ergens langere tijd zit is het zo dat je dingen minder goed ziet of ze je niet meer opvallen, maar aan de andere kant heb je ook juist meer tijd om rustig ermee aan de slag te gaan. Je hebt op zo’n moment eigenlijk even andermans ogen nodig om je weer even bewust te maken van het fenomeen. Met de ervaring in het achterhoofd proberen te kijken met frisse ogen eigenlijk.”

Wie voor hem die frisse ogen vormde toen Hans naar Cambodja ging was collega-fotograaf Conor Wall, die daar woont. Hans, wie ook een uitgeverij heeft, had het idee een serie te maken over transport in Azië in het algemeen. Doorgaans voor westerlingen al een vreemd genoeg gezicht. Na contact te hebben gezocht met Conor wees deze hem er echter op dat in Cambodja alleen al genoeg te zien is. “Ook daar kom je niet om de vreemdste transportmiddelen heen, terwijl je door de geringe oppervlakte niet teveel hoeft te reizen.” Met het succes van Bikes of Burden als motivatie bracht het duo in maart de serie en het boek Carrying Cambodja uit. Over hoe lang het succes van de Vietnam-serie nog voortduurt kan Hans alleen maar gissen, maar het Cambodja-project zal volgens hem nog wel even actueel blijven. “In Cambodja veranderd bar weinig, terwijl het transport in Vietnam erg langzaam ontwikkelt. Ik hoop dat de series nog een aantal jaar meekunnen.”

Foto’s © Hans Kemp

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Jo Hedwig Teeuwisse

Dat er in Amsterdam weinig meer te zien is van de Tweede Wereldoorlog is natuurlijk goed. Maar aan de andere kant is een stuk historie daarmee verloren gegaan. Jo Hedwig Teeuwisse roept het verleden weer tot leven maar haar ‘retronaut’-foto’s van de hoofdstad.

“Ik ben al mijn hele leven bezig met geschiedenis, zowel als hobby en als passie”, steekt Jo Hedwig meteen van wal. Dat heeft niet voor niets geleid tot haar baan als adviseuse bij het Historisch Adviesburo ’30-’45 in Amsterdam. “Toen ik een jaar of zeven over het Waterlooplein liep en daar op de markt een stapeltje negatieven vond, was mijn interesse meteen gewekt. Op één van de oude, veel beschreven negatieven stond een tank en ik wist meteen dat uit de Tweede Wereldoorlog kwam. Omdat het bijna niets kostte heb ik ze maar allemaal meegenomen.” Daar begon het ‘retronauten’-avontuur voor Jo Hedwig.

Na het laten inscannen van de foto’s door een vriend, kwam Jo Hedwig er eigenlijk pas achter wat voor aankoop ze gedaan had. Ze raakte gefascineerd: “Wie waren deze mensen, wie heeft deze foto’s gemaakt? Ik wilde meer over die foto’s te weten komen, maar ondanks dat er veel op geschreven stond, kon ik niets concreets terugvinden.” Het ‘dossier’ vormde een samenstelling van privéfoto’s en een aantal die met een fabriek te maken hebben. Waarschijnlijk door dezelfde persoon gemaakt, maar de historie heeft Jo Hedwig nooit kunnen achterhalen.

Haar hoop was gevestigd op Flickr, waar ze de foto’s in 2007 op zette. “Hoewel er niemand was die de negatieven of iemand die erop stond herkende, kwamen er wel veel tips over de locaties. Dan wil ik natuurlijk wel weten hoe die er nu uitziet. Zodoende zocht ik de plek op, koos het juiste standpunt en maakte een foto.” De eerste foto’s pakte Jo Hedwig simpel aan: nieuwe foto over het origineel heen plakken, overbodige informatie weggummen en kijken of het overeen komt. Niets creatiefs of artistieks, maar simpelweg als onderdeel van haar research naar het leven in Amsterdam tijdens de oorlog. “Zo was er één foto op een prominente plek in Amsterdam waarop een huis zonder bovenverdieping staat. Tegenwoordig is dat weer een mooi ‘zeventiende eeuws’ pand met bovenverdieping. Bleek dat deze er in de oorlog volledig afgeschoten was, maar later weer is teruggezet.”

Na haar ‘eerste keer’ in de retronautiek was Jo Hedwig meteen verkocht. “Het zag er zo tof uit dat ik ging experimenteren en van het één kwam het ander”, stelt ze droogjes. Ondertussen kent haar Flickr-pagina namelijk ook bewerkte foto’s uit dezelfde periode in Frankrijk en blijft ze speuren naar oud materiaal. “Van de driehonderd negatieven heb ik er minder dan tien een ‘toen-en-nu’ behandeling gegeven, met name omdat de andere genomen zijn in kamers of gesloten plekken. Daarnaast kost het veel tijd en moet het ook interessant blijven om te zien.” Ondanks dat Jo Hedwig verslingerd is aan geschiedenis en werkt voor het Historisch Adviesburo, denk ze dat iedereen deze retronautfoto’s kan maken. “Uiteraard is het hebben van kennis over de achtergrond mooi meegenomen en zie je meer kleine dingetjes, maar ook zonder de details kan je de foto namaken. Ik had het sowieso getroffen met interessante negatieven, die ik daarom nu gedoneerd heb aan het NIOD. Ook zij waren erg onder de indruk.”

Via datzelfde Flickr stuitte Jo Hedwig later op oorlogsbeelden uit het Franse Normandië. “In de groep ‘toen en nu’ volg ik al langer iemand uit die streek. Hij plaatst zowel oude als nieuwe foto’s uit de omgeving en ik vroeg hem of ik deze mocht combineren. Toen ben ik voor het eerst creatief aan de slag gegaan met retronautiek. Ik hoefde namelijk geen research te doen, alleen maar de foto’s over elkaar heen te schuiven en te bewerken.” Toch blijft haar voorkeur uitgaan naar foto’s uit eigen land, die volgens haar zeker bij kunnen dragen aan de geschiedvertelling. Alle positieve reacties motiveren haar ondanks tijdgebrek toch om meer met het onderwerp te doen. “Zelfs kinderen herkennen de plek waar ze iedere dag lopen en komen ze in aanraking met de historie van die plek. Het is naast erg interessant dus ook nog eens leerzaam.”

Voor Jo Hedwig is het naast een hobby daarom ook een soort idealistische streven om mensen te confronteren met de geschiedenis. “Het maakt de geschiedenis tastbaar”, pleit Jo Hedwig. “Voor jonge mensen, die nog visueler zijn ingesteld, maken deze foto’s daarnaast veel meer indruk dan verhalen.” Het is dat ze ook nog een gewone baan heeft, anders zou ze de hele dag retronaut kunnen spelen. “Omdat het zo fascinerend is om laagje voor laagje weg te pulken en erachter te komen wat er eigenlijk allemaal is gebeurd op die plek. Geschiedenis speelt een rol in ons dagelijks leven, maar bijna niemand realiseert dat zich.”

 

Foto’s © Jo Hedwig Teeuwissen

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Henry Leutwyler

Hoe portretteer je iemand zonder de persoon zelf op de foto te zetten? Henry Leutwyler gebruikte een intieme, persoonlijke vorm: een stilleven. Van de huissleutels van Elvis tot de handschoen van Michael Jackson, Leutwyler blijft speuren naar de voorwerpen achter de persoon.

Henry Leutwyler (49) baalt ervan dat zijn ouders tien jaar hebben gewacht met het hebben van kinderen. “Nu ben ik pas in 1961 geboren, dat had 1951 kunnen zijn”, vertelt hij licht cynisch. Waarom hij dit zo’n nadeel vindt, is omdat de meeste grote namen die hij had willen vastleggen al dood waren voordat hij begon met fotograferen. “Ik vond het altijd jammer dat ik sterren als Jimi Hendrix, Janis Joplin of James Dean niet meer op de gevoelige plaat vast kon leggen.” Maar na een project over Elvis Presley en een bezoekje aan een politiebureau in New York, ging bij reclamefotograaf Leutwyler een lampje branden.

“Mijn vrouw is boekdesigner”, legt Leutwyler uit. “In 2004 kreeg zij de opdracht van de nabestaanden van Elvis Presley om fotografen te zoeken die onbekende voorwerpen van de overleden King of Rock & Roll wilde fotogaferen. Ze droeg mij naar voren en ik werd – op eerlijke wijze – uitgekozen. Het ging erom niet eerder tentoongestelde voorwerpen van Elvis vast te leggen, als nagedachtenis. Het bleek veel werk en ‘Elvis by the Presleys’ heeft me een tijd bezig gehouden, maar het was een heel groot succes.” Leutwyler had daardoor geproefd aan het vastleggen van ‘bewijsmateriaal’ van een beroemdheid zonder enige romantiek, maar had nog even een duwtje in de rug nodig.

“Na het Elvis-project kreeg ik een opdracht om in beslag genomen illegale wapens op een politiebureau in New York te fotograferen. Daar zag ik, in een hoekje, een pistool met daarbij een foto van John Lennon. Vertwijfeld vroeg ik of dat het daadwerkelijke wapen was waar Lennon mee is vermoord en het antwoord was ja! Het lag daar gewoon simpelweg in een politiekluis, met kogels en al. Geen speciale vertoning ofzo, niets.” Na het pistool net als de Elvis-voorwerpen op de meest natuurlijke – één camera, één uitgangspunt, één flits – manier vast te hebben gelegd, was het project voor Leutwyler begonnen. Portretteren met stillevens, dat is waar de ‘celebrity photographer’ zich in zijn vrije tijd mee bezig zou gaan houden. Een hommage aan de popcultuur, door het fotograferen van de gebruiksvoorwerpen van haar hoofdrolspelers.

De van oorsprong Zwitserse stillevenfotograaf – ‘in mijn geval dus kaas, horloges en chocolade’ – met een Nederlandse oma heeft zijn ene jarenlange ervaring gecombineerd met het andere: portretfotografie. Leutwyler, die absoluut geen kunstenaar genoemd wilt worden, ziet de kracht van een stilleven in het feit dat je zelf volledig verantwoordelijk bent voor het eindproduct. “Het is een 1-op-1 situatie met je onderwerp, een voorwerp. Van een portret, zeker van een beroemdheid, zijn morgen alweer mooiere, betere portretten gemaakt. Een voorwerp is een voorwerp, niets meer en niets minder. Een volgende foto veranderd daar niets aan.” Na de bril van Elvis, de gitaar van Jimi Hendrix en onder andere shirts, sokken en handschoenen van Michael Jackson blijft Leutwyler doorzoeken naar gebruiksvoorwerpen van de groten der aarde.

“Onderzoek en research, dat is het allerbelangrijkst”, herhaalt Leutwyler de visionaire fotograaf Art Kane (1925 – 1995). Ook Capa’s ‘als de foto niet goed is, sta je te ver weg’ vormt een lijdraad in het werk van Leutwyler. Daarom fotografeert hij alle voorwerpen precies afgekaderd, van dichtbij en met slechts één lamp. “Mijn favoriete, Zwitserse Broncolor-apparatuur”, meldt Leutwyler trots. “Er is maar één zon, dus ook maar één lamp”, beredeneert hij. Daarbij komt dat hij als Europeaan voorbij de ‘oppervlakkigheid’ van de Amerikaanse cultuur kan kijken. “In Amerika draait het enkel om sensatie en denkt het publiek dat ze alles al weten. Door deze foto’s merk je dat ze eigenlijk heel weinig weten; wel dat John Lennon dood is, maar niet hoe het wapen eruit ziet. Ik wil die onbekende zaken op deze manier aan het licht brengen.”

Ten alle tijden is Leutwyler in achtervolging van zo’n twintig objecten welke hij nog vast wilt leggen. Hij houdt lijstjes bij met voorwerpen van over de hele wereld om zo efficiënt mogelijk te werk te gaan. Voor Frankrijk staan bijvoorbeeld de bril van Yves Saint Laurent en de sneakers van Serge Gainsbourg op het programma. Negentig procent van de mensen willen echter niet gestoord worden of hebben geen interesse. “Zo werd ik nooit toegelaten tot Neverland, het landgoed van Michael Jackson. Pas toen zijn faillissement zich aandeed, zag ik de kans om weer een puzzelstukje te pakken te krijgen en ‘Neverland Lost’ te maken.” Andere voorwerpen vindt Leutwyler vooral door de krant te lezen, hoe simpel dat ook klinkt. “Als er weer een veiling is van bijvoorbeeld het laatste pistool van Al Capone of de opening van een museum met de sandalen van Gandhi, dan wil ik de voorwerpen eerst vastleggen.”

Sowieso werkt Leutwyler daarvoor in stilte, want hij wil zijn werk niet aan de grote klok hangen. “Veel mensen willen niet in de publiciteit en vindt je daarom via-via. Zo zat ik een keer in een Japans restaurant in Los Angeles en ving iemand het gesprek op dat ik voerde. Bleek hij één van de twee Janis Joplin gitaren te hebben omdat hij muziek voor haar schreef, of ik die wilde fotografen!” Leutwyler voelt zich daarom naast fotograaf ook enigszins archeoloog en socioloog, maar blaast niet hoog van de toren. Dit project vormt een passie voor hem, iets wat van hemzelf is, hij leuk vindt om te maken en waaraan hij herinnert wil worden. Bang voor herhaling is hij niet: “Er zijn genoeg artiesten die telkens weer hetzelfde doen. In dit geval gaat het om het concept, het verhaal erachter en natuurlijk het voorwerp. Als ik met de Rolling Stones hetzelfde kan doen als met Elvis dan vormt dat een kleine encyclopedie van de popmuziek, een soort woordenboek.”

Leutwyler denkt nog vijf jaar met het project bezig te zijn, want het moet niet te ingewikkeld worden en hij is al bijna acht jaar bezig. “Het is altijd moeilijk wat nieuws te vinden en het moet om het onderwerp gaan, niet om de techniek. Daarnaast zullen er altijd voorwerpen overblijven voor een volgende generatie, dus er zal altijd een groei zijn.” De vraag is nu of hij pas over vijf jaar een boek gaat publiceren, of kiest voor het geld en over tweeënhalf jaar al het eerste deel en vervolgens een tweede uitbrengt. Volgens hem is alles mogelijk, maar geldt er wel één regel: “Verlaat het feestje op tijd, voordat je een ongenode gast bent. Ik stop op tijd.”

Foto’s © Henry Leutwyler

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Karine Versluis

Ieder jaar na het afronden van de middelbare school, verlaten veel jongeren Curaçao om een opleiding te gaan volgen in Nederland. Het zijn geen goudzoekers, maar mensen op zoek naar een betere toekomst. Karine Versluis legde deze ingrijpende overgang vast in ‘Enkeltje Schiphol’.

Zo’n driehonderd jongeren trekken jaarlijks naar de andere kant van de wereld om een Nederlandse opleiding te genieten en hopelijk hier een leven op te bouwen. Amerika is natuurlijk dichterbij, maar daar moet de opleiding zelf bekostigd worden. Ze verlaten hun familie voor een kans op een betere toekomst, maar die keus valt de één zwaarder dan de ander. Karine Versluis legde zowel de voorbereiding als de opbouw van hun bestaan vast, in een land dat wel in hun paspoort staat, maar wij zij zich nog lang niet thuisvoelen.

“Na wat voorbereiding en wat research heb ik een ticket geboekt”, zegt Karine enigszins laconiek. “Ik had natuurlijk wel wat lijntjes uitgegooid, maar verder ben ik er op de bonnefooi naartoe gegaan. Dat is een beetje mijn werkwijze: in het diepe springen.” Via via de familie van de betreffende collega op Curaçao leerde zij zo langzamerhand docenten, jongerenwerkers en natuurlijk de jongeren zelf kennen. “Zomaar foto’s maken had natuurlijk geen zin, want ze moeten wel daadwerkelijk het plan hebben om naar Nederland te vertrekken.”

Karine zoekt graag naar onderwerpen die een verbintenis hebben met de (Nederlandse) maatschappij, zodat ze er zelf ook raakvlak bij heeft. “Daarbij hou ik van reizen en lange projecten, dus vormde dit een mooie kans voor een fotoserie. Daarnaast woon ik zelf in de Haagse Schilderswijk, dus was ik ook wel bekend met de bevolkingsgroep.” Op Curaçao moest zij echter een stapje verder gaan, namelijk hun vertrouwen winnen. “Daarom begon ik meestal niet meteen met fotograferen, maar maakte ik eerst kennis met de ouders en bouw je een band op. Ik denk dat de jongeren het ook wel voelen dat ik er zelf ook veel tijd in stop en oprecht geïnteresseerd ben. Ik fotografeerde daarom ook lang niet alles, mijn intuïtie bepaalde grotendeels wat wel en niet interessant was. In totaal ben ik toch twee jaar met de serie bezig geweest.”

De keuze voor een enkel eiland en niet de volledige eilandengroep komt volgens Karine voort uit het feit dat je die keuze herkenbaar in beeld zou moeten brengen. “Dat is heel lastig, want hoe toon je op een foto het verschil tussen een jongen uit Curaçao of Bonaire? Ik ben daarom drie keer zes tot acht weken naar Curaçao gegaan en heb me daar op gefocust.” Vervolgens ging haar werk natuurlijk verder in Nederland, waar de jongeren een opleiding gingen gaan volgen. “Het voordeel was natuurlijk dat ik al een band met ze had opgebouwd. Voor hun is het natuurlijk een andere wereld hier en daarbij zijn ze niet bezig met de denkbeelden die een deel van de Nederlandse bevolking van Antillianen heeft. Ze komen hier ook niet naartoe om in het ‘paradijs’ Nederland te leven, maar om echt wat van hun toekomst te maken.”

In plaats van de uitersten te laten zien – op Curaçao de jongeren hangend onder een palmboom en in Nederland hard studerend achter een bureau – koos Karine ervoor om nuance in haar foto’s aan te brengen. “Het moet er niet zo dik bovenop liggen”, legt ze uit. “Het licht en de omgeving vormen eigenlijk al genoeg verschil om de plek te kunnen duiden. Landschapselementen spelen op de achtergrond mee, maar de nadruk ligt op de persoon. Zo volg ik een meisje tijdens haar introductie in Leiden, waar ze er nog een beetje onwennig bijstaat. Ze is echter geneeskunde gaan studeren en dus heb ik haar ook gefotografeerd tijdens een practicum. Daarin is de groei van zo iemand goed te zien en dat is wat ik wilde laten zien.”

Het was voor Karine daarom erg belangrijk dat de jongeren begrepen dat ze hun leven zou volgen. “Dit soort projecten zijn daarom altijd spannend, Dit soort projecten zijn daarom altijd spannend, vooral omdat het jongeren zijn en ze vrijwillig en vrijblijvend meewerken. Als zij geen interesse meer zouden hebben, hield het op. In het boek ‘Enkeltje Schiphol’ (dat tijdens de opening van de tentoonstelling wordt gepresenteerd) volg ik daarom drie hoofdrolspelers over de gehele periode van twee jaar, een aantal andere jongeren alleen in Curaçao of met een klein portret.”

In ‘Enkeltje Schiphol’, waarvan de tentoonstelling zaterdag 11 september opent in het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam, rust volgens Karine geen politieke of ideologische boodschap. “Ik speel liever met een bepaald beeld dat mensen hebben. Stereotyperingen zijn zwart-wit, terwijl ik het grijsgebied juist interessant vindt. Daarom kies ik graag voor onderwerpen die spelen in de samenleving, maar ik heb geen agenda. Ik ben fotograaf en zoek een visueel interessant onderwerp: het gaat om kijken, in de brede zin van het woord.”

Foto’s © Karine Versluis

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Wilko Miletić

Met een werkgever als 3VOOR12/Amsterdam ben je zomers verzekerd van mooie festivals. Wilko Miletić fotografeert dan ook graag vrijwillig voor ze. Sinds drieeënhalf is hij geregeld te vinden op concerten, feesten en uiteraard festivals.

 

Deze zomer heeft Wilko onder andere op Shoeless Outdoor, Voltt Loves Summer en Valtifest gefotografeerd, allen voor 3VOOR12/Amsterdam. “Festivals zijn leuk om meerdere redenen”, begint Wilko. “Ten eerste speelt een festival zich doorgaans buiten af, waardoor je – als je geluk heb – lekker in het zonnetje kunt werken. Ten tweede zijn er op festivals meerdere podia waar van alles tegelijk gebeurt en ook buiten de muziek is er vaak genoeg te doen.” Kortom: waar je bij een concert of feest vast zit aan één of hooguit twee podia, heb je op een festival meer dan genoeg om te fotograferen. Tot slot is er nog de sfeer op een festival, ‘vaak wat losser’, aldus Wilko. “Bij een concert of feest komen de bezoekers vooral voor de muziek, terwijl op een festival de gezelligheid en de sfeer ook erg belangrijk zijn.”

Volgens Wilko zit er ook een groot verschil tussen concert- en festivalfotografie, twee genres die toch vaak op een hoop gegooid worden. “Het belangrijkste verschil is wel dat er op een festival een hoop tegelijk gebeurt op verschillende locaties. Op grotere festivals moet je goed nadenken waar je heen gaat op welk tijdstip om de mooie momenten mee te pakken, ook omdat de podia soms een stuk lopen uit elkaar liggen.” Het is deels de kunst, deels ervaring om op de plek te zijn waar ‘het’ gebeurt, licht Wilko toe. “Na een dag van twaalf uur fotograferen op een festival ben ik dan ook fysiek gebroken door het vele lopen, staan en wachten op ‘de’ momentjes.”

Ook de techniek van het fotograferen op een festival is anders. Terwijl concerten en feesten vaak donker zijn en alleen de artiesten (slecht) belicht zijn door kunstlicht, heb je op een festival vaak zonlicht in overvloede: ‘erg wennen’, meldt Wilko. “Ik heb er zelf eigenlijk meer moeite mee om mijn foto’s mooi te belichten in zonlicht dan in een donkere concertzaal”, geeft hij eerlijk toe.

Maar op een muziekfestival is het natuurlijk wel makkelijk als je de aanwezige muziek ook daadwerkelijk leuk vindt. Is dit geen struikelblok voor de veelzijdige Wilko? “Ik heb qua muziekfestivals niet echt een voorkeur. Mijn eigen muzieksmaak is zodanig breed dat ik kan genieten van de diepste techno tot de hardste metal, dus dat is niet zo’n probleem.” De programmering op festivals bieden tegenwoordig ook ruimte voor afwisseling, zodat meerdere (sub)genres vertegenwoordigd kunnen worden. “Wat veel meer telt dan het genre is de sfeer die er heerst. Een goede sfeer zorgt ervoor dat je zelf ook in een goed humeur raakt en dat komt je werk altijd ten goede.”

Festivalfotografie vergt echter wel wat voorbereidingen, want door onbeslagen te werk te gaan maak je het jezelf erg lastig. “Het aan te raden om een globaal plan te maken van wat je wil fotograferen: welke artiesten mogen zéker niet missen in je verslag, welke artiesten zijn niet zodanig belangrijk dat je erbij ‘moet’ zijn en wat voor ‘rand-dingen’ zijn er op het festival te doen.” Wilko verkent vervolgens het terrein, zodat hij weet waar hij moet zijn en waar de leuke dingen gebeuren. “Zelf kijk ik ook vaak naar de apparatuur op de podia, hoewel dat niet altijd even goed zichtbaar is. Als er tekenen van lasers of CO2-kanonnen aanwezig zijn, kun je alvast bedenken wat je daarmee gaat doen in je shots.”

Als het feest eenmaal is losgebarsten is het belangrijk dat je heel snel kunt handelen: “Een mooi moment, zoals het publiek dat helemaal gek wordt op de climax van de muziek, duurt meestal niet langer dan een paar seconden”, legt Wilko uit. Een van zijn grootste tips is dan ook om je apparatuur door en door te kennen. “Het is verder ontzettend fijn om toegang te hebben tot het podium. Hier kun je relatief rustig werken en heb je het beste uitzicht op de dj of artiest en het publiek.” Hiervoor heb je doorgaans echter wel accreditatie nodig en Wilko raadt daarom aan om voor een respectabel medium te fotograferen en niet als hobbyist aan de slag te gaan.

Een andere tip om mooie shots te maken: anticipeer. “Luister naar de muziek, hieraan kun je vaak goed afleiden wat het publiek gaat doen. Is een dj spanning aan het opbouwen? Zorg dat je daar iets mee doet, want het publiek gaat straks vermoedelijk uit z’n dak.” Een festival is verder vaak het toneel van rare of bijzondere acties van (al dan niet dronken) bezoekers, weet Wilko uit ervaring. “Kijk goed rond, ook buiten de podia, en je vindt soms hilarische taferelen die juist de sfeer van een festival goed weergeven.”

Foto’s © Wilko Miletić

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment

Monique Koelman

Iedere zomer ligt het Zandvoortse strand weer bomvol zonaanbidders; geen plekje meer te vinden. Dan hebben de eigenaren van de strandhuisjes het beter bekeken, met hun eigen stekje. Zeker als je de interieurs ziet, die Monique Koelman allemaal mocht fotograferen.

Al 75 jaar bestaat Kampeer Vereniging Strandgenoegen, dus de zeventien jaar die Monique zelf lid is zijn slechts een fractie. Het jubileum vormde voor haar echter wel een mooie aanleiding om eindelijk alle 155 strandhuisjes te bezoeken. Opgesteld in twee rijen tegen de duinrand – zelf zit ze op de achterste rij – zien de huisjes er van buiten praktisch allemaal hetzelfde uit, maar het zijn de interieurs die het verschil maken. KVS is een van de vier verenigingen met huisje op het Zandvoortse strand – totaal staan er meer dan 750 – en bestaat voornamelijk uit Amsterdammers, sommige uit families die er al drie generaties komen.

Hoe ben jij zelf eigenlijk in zo’n huisje terechtgekomen?

“Dat komt allemaal door mijn man Marcus, die al jaren naar het strandhuisje van zijn familie ging. Ik ging uiteraard wel naar het strand, maar de huisjes staan helemaal tussen Zandvoort en Bloemendaal, dus ik wist niet eens van het bestaan ervan af. Sinds Marcus me de eerste zomer meenam, was het raak.”

Toen kwam je op het idee om alle interieurs te gaan fotograferen, waarom?

“Natuurlijk was het opkomende jubileum een mooie aanleiding, maar ik liep zelf ook al jaren met het idee rond. Terwijl ik dacht dat privacy nog een obstakel zou vormen, was iedereen juist hartstikke enthousiast en weigerde niemand me binnen te fotograferen. Hierdoor zijn het persoonlijke foto’s geworden, mede omdat de bewoners er zelf ook op staan. Ik had een nieuw groothoekobjectief gekocht waarvan ik dacht ‘daar moet het mee lukken!’ en was aan de slag gegaan.”

Hoe ben je vervolgens te werk gegaan?

“Alle foto’s moest identiek zijn en een eenheid vormen, dus heb ik steeds hetzelfde standpunt gekozen. Bij iedereen heb ik de deuren opengeslagen, de camera opgesteld en afgedrukt. Niets meer, niets minder.”

Iets meer dan een maand later was je klaar en hoe reageerde de mensen?

“Het bestuur van de vereniging was heel enthousiast en stelde voor mijn project, genaamd ‘Gluren bij de KVS-buren’, als jubileumkado in boekvorm aan te bieden. Dat maakte het voor mij natuurlijk nog leuker, want ze hebben me ook geholpen met het drukken en uitgeven. Iedereen vond het heel mooi geworden; het is natuurlijk ook een tijdsdocument dat mensen willen bewaren.”

Terwijl de een netjes gekleed in een opgeruimd huis staat, zit de ander in badkleding. Ben je gewoon op de bonnefooi langsgegaan of had je dat gepland?

“Soms spontaan, soms gepland. Als niet alle leden van het gezin thuis waren, belde ze me gewoon later op als iedereen er wel was. De een wil nog even wat nets aantrekken, terwijl het de ander echt niets uitmaakt. Die ploft gewoon op de bank en laat het begaan. Dat is denk ik ook de kracht, dat iedereen zichzelf is gebleven, zonder pretenties. Echt Amsterdams, een beetje volks.”

Is er nu iets dat je is opgevallen, iets wat bij ieder huisje weer terugkomt?

“Dat, ondanks dat ze er van buiten allemaal hetzelfde uitzien, alle huisje verschillend zijn. Sowieso zit er een verschil tussen huisjes die na ieder seizoen weer afgebroken worden (bouwhuisjes van hout) en huisjes die in de duinen worden gezet (units van kunststof). Uiteraard is laatstgenoemde makkelijker en luxer, maar het kost ook wat meer. Daarnaast zijn de meeste ‘houten’ vloeren gewoon van vinyl, maar het ziet er wel prachtig uit. Het liefst zouden de bewoners er dan ook het hele jaar zitten.”

Deed je zelf al wat met fotografie, of was dit project je vuurdoop?

“In het dagelijks leven ben ik fotograaf, maar daarnaast doe ik ook al sinds 22 jaar modellenwerk. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in fotografie en er dag in dag uit mee in de weer zijn is dan natuurlijk de beste leerschool. Ik heb heel veel geleerd van de mensen die mij fotografeerde en alles gewoon gevraagd. Tijdens fotoshoots kreeg ik eigenlijk gewoon kleine workshops, maar voor de technische kant heb ik ook wel een echte cursus gevolgd. Ik combineer de twee nu al zeven jaar.”

 

Foto’s © Monique Koelman

Posted in Interviews, Photography | Tagged , , | Leave a comment